Contact
:
----------------
Kors den Hartog,
voorzitter
Polderweg 2
Eesveen
06 - 20 24 60 19
|
------------------
Communicatie:
Diana Saaman
T: 06 51451614
|
|
|
|
|
|
|
|
Op
deze website leest u alles over de manier
waarop de bij de VBBM aangesloten boeren duurzame
landbouw bedrijven en dus oog hebben voor dier en
milieu. De VBBM-leden werken vanuit het denken in
een Natuurlijk Kringloop Systeem (NKS) De VBBM spant
zich in om het NKS systeem en het daarbijhorende
Bovengronds Aanwenden van Dierlijke Mest erkend
te krijgen bij de overheid, maatschappelijke
organisaties en collega boeren.
|
De
(levende!) bodem
De
natuur vormt een kringloop. Alles wat leeft
en bloeit maakt deel uit van deze kringloop
en gehoorzaamt aan de natuurwet van “afbreken
en opbouwen”. De kwaliteit van de opbouw
wordt mede bepaald door de kwaliteit van de
afbraak.
In het voorjaar groeien de planten. De plant
haalt voedingsstoffen uit de bodem en laat
daarmee onder meer de bladeren groeien. Met
de bladeren ademt de plant. De bladeren nemen
koolstof, het belangrijkste voedingselement
van de natuur, in de vorm van kooldioxide
(koolzuurgas) op. Deze koolstof legt de plant
door fotosynthese en met behulp van water
vast in suikers. De groene bladeren vormen
tevens het voedsel van insecten en schimmels.
In de herfst verliest de plant haar bladeren.
De bladeren bedekken de grond. Bodemdieren
trekken een groot deel van de bladeren de
grond in, waar het bodemleven de bladeren
eet of verteert. In de bladeren bevindt zich
nog veel suiker, zoals onder meer cellulose.
De bladeren vormen zo het voedsel van de plant
voor het nieuwe voorjaar. Op deze manier produceert
een gezond bodemleven meer biomassa dan het
uit de grond haalt.
|
Bodemleven
Zo werkt het ook in het weiland. De boer bemest
de grond om zo het bodemleven te voeden. Dit
bodemleven zet de bemesting om, zodat de wortels
van het gras het kunnen opnemen. Als het bodemleven
niet goed functioneert, heeft de boer een heel
lage benutting van zijn meststoffen en vindt
er een grote uitspoeling plaats naar grond en
oppervlakte water.
Een gezonde bodem bestaat voor een derde uit
lucht, een derde uit grond en een derde uit
water. Deze ideale verdeling vinden we alleen
nog in de volkstuin waar gewerkt wordt met gezonde
compost en waarop geen zware machines komen.
Voor de boer werkt het anders. Hij moet nu eenmaal
op het land rijden om te zaaien, te mesten en
te oogsten. Hierdoor wordt de grond aangeduwd
en de verhouding lucht, grond en water verstoord. |
 |
Gezond
en sterk bodemleven voedt zich met gerijpte
drijfmest en gerijpte compost. We hebben drijfmest,
groenafval, GFT en hooi in overvloed, maar helaas
wordt het overgrote deel van deze in potentie
waardevolle voeding voor de bodem verpest door
rotting, waardoor dit voor het bodemleven vergif
is in plaats van voeding. Desondanks is de boer
door de wetgever verplicht deze rottende massa
in de grond te brengen. De gifstoffen doden
vervolgens het bodemleven waardoor de kans dat
nuttige stoffen uit de bodem spoelen nog groter
wordt.
De kwaliteit van de opbouw wordt bepaald door
de kwaliteit van de afbraak. Als de benutting
van de opbouw boven de vijftig procent komt,
is er nog maar weinig input nodig om de kringloop
draaiende te houden. Met andere woorden: een
bodem met een gezond en sterk bodemleven gaat
steeds meer produceren met minder input. Ook
de diversiteit van het bodemleven neemt toe.
Dit komt doordat de microflora (zoals eencelligen,
bacteriën, schimmels en algen) zich ontwikkelt.
Hierdoor komen er steeds meer enchytraeën,
mijten springstaarten, nematoden, protozoën,
duizendpoten, insecten, kevers en spinnen. De
kleine dieren bewegen zich door spleten en ruimten
in de grond. Deze kleine dieren zijn op hun
beurt weer voedsel voor andere kruipende dieren
en weidevogels. De grotere dieren, zoals mollen,
woelmuizen, regenwormen en slakken, kunnen zichzelf
een weg door de bodem banen.
De bodemdieren zijn, mét de bodemflora,
van groot belang voor de geschiktheid van de
bodem voor plantengroei. Zij beïnvloeden
de bodem door hun voortbeweging en voeding.
De voeding veroorzaakt verbrokkelingen van dode
organische stof (zoals bladeren) en de chemische
verwerking daarvan tot mineralen. De voortbeweging
in de bodem, vooral van grotere dieren, leidt
tot een betere structuur van deze bodem. Dit
bodemleven zorgt dat de grond luchtig wordt,
waardoor er meer ruimte voor plantenwortels,
en dan met name haarwortels, komt. Het wortelstelsel
breidt zich in zo’n bodem geweldig uit,
wat resulteert in een dichte grasmat. Aangezien
het gras de zonne-energie omzet in eiwit, groeit
het meer, wat weer gevolgen heeft voor het bodemleven.
En zo gaat de kringloop verder dan alleen de
bodem.
Meer groei van wortels en haarwortels resulteert
in meer wortelsterfte waardoor er weer meer
voedsel voor het microleven is. In de bodem
en vooral op het slijm van wormen leven mycorrhiza
schimmels, deze zogenaamde wortelschimmel heeft
een versterkende uitwerking op plantenwortels,
symbiose. De opnamecapaciteit van het wortelstelsel
wordt hierdoor ten minste vijfmaal groter. Het
zal duidelijk zijn dat in een gezonde bodem
niet alleen de opbrengst met sprongen omhoog
gaat, maar ook de kwaliteit omdat er in het
gras veel meer voedingstoffen zitten.
Een gezonde bodem
heeft 15 à 20 ton (15 a 20.000 kg) levende
biomassa per hectare. De bacteriën, schimmels
en algen voeden zich met drijfmest, compost
en plantenresten. Zij worden weer gegeten door
de fauna, die een eigen voedselketen vormt.
De fauna bestaat uit protozoën, nematoden,
springstaarten, mijten, enchytraeën, duizendpoten,
insecten, spinnen, regenwormen en mollen. De
mest van deze dieren vormen de voedingstoffen
voor de planten. De plant voedt op zijn beurt
het helpende bodemleven met suikers, energie
en eiwitten die zij via de wortels actief uitscheidt.
Dit kan wel de helft van de gemaakte (energie)
zijn.
De exacte processen die zich in de bodem afspelen
zijn zo ingewikkeld, dat we dat gewoonweg niet
precies weten. Aan een grasland is door een
kenner te zien en te voelen hoe het met het
bodemleven gesteld is. |
Wat
zit er in een gezonde bodem? |
Levend
gewicht (kg/ha) (Stockli, 1950) |
Micro
organismen
Bacterien en actinomyceten
Schimmels
Algen |
10.080
10.000
139
|
Fauna
Protozoën
Nematoden
Springstaarten
Mijten
Enchytraeen
Duizendpoten, insecten en spinnen
Regenwormen
Mollen
|
379
50
6,5
4,4
15
67
4.000
1
|
|
|
|